Definify.com

Definition 2024


zeer

zeer

Crimean Tatar

Noun

zeer

  1. A poison

Declension


Dutch

Pronunciation

  • Rhymes: -eːr

Etymology

From Middle Dutch seer, from Old Dutch *sēr. The noun is from Proto-Germanic *sairą, the adjective from *sairaz. Cognate with English sore, German sehr.

Adjective

zeer (comparative zeerder, superlative zeerst)

  1. sore, painful
  2. painful, grieving
  3. hurtful
  4. affected by a painful skin syndrome

Inflection

Inflection of zeer
uninflected zeer
inflected zere
comparative zeerder
positive comparative superlative
predicative/adverbial zeer zeerder het zeerst
het zeerste
indefinite m./f. sing. zere zeerdere zeerste
n. sing. zeer zeerder zeerste
plural zere zeerdere zeerste
definite zere zeerdere zeerste
partitive zeers zeerders

Derived terms

  • zeerheid
  • zeerte
  • zeeroog
  • zeerkop
  • zeerhoofdig

Noun

zeer n (plural zeren, diminutive zeertje n)

  1. A physical pain, ache, hurt
  2. grief, suffering
  3. (archaic) A sore spot; crust on a wound, boil etc;
  4. (archaic) A cause of physical pain, notably disease; discomfort, uneasiness
  5. (obsolete) A flaw, fault, sin, defect

Synonyms

Derived terms

  • bezeren
  • buikzeer, hartzeer, hoofdzeer, koningszeer, kwaadzeer, tandzeer
  • zeerachtig, zeerbaar, zerig, kleinzerig
  • zeerdom
  • zeering
  • zeerwording

Adverb

zeer

  1. (literally) sorely, painfully, notably in zeer doen 'to hurt'
  2. (figuratively) very, to a high degree or intensity

Derived terms

  • evenzeer, hoezeer, zeerna, zozeer, ten zeerste
  • zeereerwaard, zeergeacht, zeergeëerd, zeergeleerd, zeergestreng (emphatic adjectives; can all remain split: zeer ...)

Anagrams