Definify.com

Definition 2024


overkomen

overkomen

Dutch

Pronunciation 1

  • IPA(key): /ˈoːvə(r)koːmə(n)/

Verb

overkomen

  1. to come across, seem
  2. to come by, visit
Inflection
Inflection of overkomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive overkomen
past singular kwam over
past participle overgekomen
infinitive overkomen
gerund overkomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom over kwam over overkom overkwam
2nd person sing. (jij) komt over kwam over overkomt overkwam
2nd person sing. (u) komt over kwam over overkomt overkwam
2nd person sing. (gij) komt over kwaamt over overkomt overkwaamt
3rd person singular komt over kwam over overkomt overkwam
plural komen over kwamen over overkomen overkwamen
subjunctive sing.1 kome over kwame over overkome overkwame
subjunctive plur.1 komen over kwamen over overkomen overkwamen
imperative sing. kom over
imperative plur.1 komt over
participles overkomend overgekomen
1) Archaic.

Verb

overkomen

  1. to happen, befall
Inflection
Inflection of overkomen (strong class 4, irregular, prefixed)
infinitive overkomen
past singular overkwam
past participle overkomen
infinitive overkomen
gerund overkomen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular overkom overkwam
2nd person sing. (jij) overkomt overkwam
2nd person sing. (u) overkomt overkwam
2nd person sing. (gij) overkomt overkwaamt
3rd person singular overkomt overkwam
plural overkomen overkwamen
subjunctive sing.1 overkome overkwame
subjunctive plur.1 overkomen overkwamen
imperative sing. overkom
imperative plur.1 overkomt
participles overkomend overkomen
1) Archaic.

Participle

overkomen

  1. past participle of overkomen
Inflection
Inflection of overkomen
uninflected overkomen
inflected overkomen
comparative
positive
predicative/adverbial overkomen
indefinite m./f. sing. overkomen
n. sing. overkomen
plural overkomen
definite overkomen
partitive overkomens

Anagrams