Definify.com

Definition 2024


liplezen

liplezen

Dutch

Verb

liplezen

  1. to read lips
    [...] nee, in een close up van Wesley vlak na het doelpunt liplazen wij duidelijk twee keer het woord ´Robben.´[1]- no, in a close up of Wesley, just after the goal, we clearly discerned the word ´Robben´ by lip reading.

Usage notes

  • This word is mostly used in its infinitive form to mean lip reading and hence uses the definite article het. Other forms are sporadically attested.

Inflection

Inflection of liplezen (strong class 5, separable)
infinitive liplezen
past singular las lip
past participle lipgelezen
infinitive liplezen
gerund liplezen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular lees lip las lip liplees liplas
2nd person sing. (jij) leest lip las lip lipleest liplas
2nd person sing. (u) leest lip las lip lipleest liplas
2nd person sing. (gij) leest lip laast lip lipleest liplaast
3rd person singular leest lip las lip lipleest liplas
plural lezen lip lazen lip liplezen liplazen
subjunctive sing.1 leze lip laze lip lipleze liplaze
subjunctive plur.1 lezen lip lazen lip liplezen liplazen
imperative sing. lees lip
imperative plur.1 leest lip
participles liplezend lipgelezen
1) Archaic.

References

  1. Was die Presse schreibt ... - Kein Keloel 2008
    Gekrenkte sinaasappels
    Nico Dijkshoorn

Anagrams